Curriculumontwikkeling begint vaak met de vraag welke kerndoelen, eindtermen of examenprogramma’s aan bod moeten komen. In zijn artikel ‘Begin curriculumontwerp bij de leerling’ stelt Frank van den Ende een fundamenteel andere vraag centraal. Volgens hem begint goed curriculumontwerp niet bij de onderwijsinhoud, maar bij de leerling. Wie zijn onze leerlingen? Welke ontwikkeling willen we bij hen stimuleren? En welke leerervaringen zijn daarvoor nodig?
Hoewel Van den Endes bijdrage niet specifiek over burgerschapsonderwijs gaat, raakt het aan een vraagstuk dat voor veel scholen actueel is. Scholen werken aan een burgerschapscurriculum dat doelgericht, samenhangend en herkenbaar is. Dat vraagt niet alleen om duidelijke doelen, maar ook om een doordachte manier van ontwerpen. Juist daarvoor biedt het artikel een waardevol perspectief.
Van den Ende beschrijft curriculum niet als een verzameling vakken, lessen of methodes, maar als een samenhangend ontwerp dat de ontwikkeling van leerlingen ondersteunt. Daarmee verschuift de aandacht van de vraag Wat willen we aanbieden? naar de vraag Welke ontwikkeling willen we mogelijk maken?.
In de praktijk wordt curriculumontwikkeling vaak gedomineerd door externe kaders. Kerndoelen, examenprogramma’s, referentieniveaus en lesmethodes vormen logischerwijs belangrijke uitgangspunten voor scholen. Volgens Van den Ende schuilt daarin echter ook een risico. Wanneer deze kaders het vertrekpunt worden van curriculumontwikkeling kan het gesprek zich vooral richten op het organiseren en afdekken van onderwijsinhoud. De onderliggende pedagogische vraag – Welke ontwikkeling gunnen wij onze leerlingen? – raakt dan gemakkelijk uit beeld.
Van den Ende pleit daarom voor een omkering van het ontwerpproces. Niet de leerstof vormt het beginpunt, maar de leerling. Pas wanneer helder is welke ontwikkeling de school wil bevorderen, kunnen keuzes worden gemaakt over passende leerinhouden, leeractiviteiten en leerervaringen.
Deze benadering laat zien dat curriculumontwikkeling meer is dan het ordenen van onderwijsinhoud. Het is een ontwerpvraagstuk waarin steeds opnieuw de relatie wordt gelegd tussen de leerling, de maatschappelijke context en de bedoeling van het onderwijs.
Het uitgangspunt “begin bij de leerling” kan gemakkelijk worden opgevat als een pleidooi voor onderwijs dat vooral aansluit bij de interesses of voorkeuren van leerlingen. Dat is niet de strekking van Van den Endes betoog.
De leerling vormt het vertrekpunt omdat onderwijs altijd gericht is op de ontwikkeling van jongeren in een specifieke maatschappelijke context. Curriculumontwikkeling vraagt daarom om inzicht in vragen als: wie zijn onze leerlingen, welke ervaringen brengen zij mee, welke maatschappelijke vraagstukken raken hen en welke ontwikkeling hebben zij nodig om zich verder te kunnen ontplooien?
Door vanuit deze vragen te ontwerpen, krijgt curriculum betekenis binnen de eigen schoolcontext. Het curriculum wordt daarmee geen algemeen programma dat overal hetzelfde is, maar een doordachte ontwikkelroute voor de leerlingen van deze school.
Een tweede belangrijk inzicht uit het artikel is dat curriculumontwikkeling vraagt om samenhang. Wanneer scholen starten vanuit bestaande lessen of projecten ontstaat er gemakkelijk een curriculum dat bestaat uit losse onderdelen. Leerlingen doen dan wel uiteenlopende ervaringen op, maar de onderlinge verbinding blijft impliciet.
Van den Ende nodigt scholen uit om juist die samenhang expliciet te ontwerpen. Dat betekent dat afzonderlijke lessen, projecten en activiteiten niet op zichzelf staan, maar bijdragen aan een gezamenlijke ontwikkelrichting.
Vanuit curriculumtheoretisch perspectief sluit deze ontwerpvolgorde aan bij benaderingen waarin eerst wordt nagedacht over de beoogde ontwikkeling van leerlingen en pas daarna over de inrichting van het onderwijs. Het gaat daarbij niet alleen om de vraag wat leerlingen leren, maar vooral waarom bepaalde leerervaringen onderdeel zijn van het curriculum en hoe deze gezamenlijk bijdragen aan de ontwikkeling van leerlingen.
Deze manier van denken is bijzonder relevant voor burgerschapsonderwijs. Ook hier bestaat het risico dat curriculumontwikkeling begint bij de vraag welke thema’s of activiteiten een school wil aanbieden. Denk aan lessen over democratie, projecten rondom duurzaamheid, gastlessen, maatschappelijke stages of aandacht voor actuele gebeurtenissen.
Hoewel dergelijke activiteiten waardevol kunnen zijn, vormen zij nog geen curriculum. Pas wanneer duidelijk is welke ontwikkeling de school met deze activiteiten wil bevorderen, ontstaat een samenhangend geheel.
Het Expertisepunt Burgerschap benadrukt dat burgerschapsonderwijs doelgericht, samenhangend en herkenbaar moet zijn. De ontwerpbenadering van Van den Ende biedt hiervoor een bruikbaar perspectief.
Juist bij burgerschapsonderwijs is het uitgangspunt van Van den Ende van betekenis. Burgerschap is immers niet uitsluitend een verzameling kennisdoelen. Het gaat ook om de manier waarop leerlingen leren omgaan met verschillen, verantwoordelijkheid nemen, deelnemen aan democratische processen en zich verhouden tot maatschappelijke vraagstukken.
Dat vraagt om een curriculum waarin kennis, ervaringen, ontmoeting, dialoog en reflectie met elkaar zijn verbonden. Curriculumontwerp voor burgerschap begint daarom niet alleen met de vraag welke onderwerpen aan bod moeten komen, maar vooral met de vraag welke ontwikkeling de school haar leerlingen gunt als toekomstige deelnemers aan een democratische en pluriforme samenleving.
Tegelijkertijd betekent ontwerpen vanuit de leerling niet dat de wettelijke opdracht naar de achtergrond verdwijnt. Scholen hebben de opdracht om leerlingen kennis te laten maken met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en hen voor te bereiden op deelname aan de samenleving. De kunst van curriculumontwerp is juist om deze maatschappelijke opdracht te verbinden met de leefwereld en ontwikkelbehoeften van de leerlingen.
Tot slot
Met ‘Begin curriculumontwerp bij de leerling’ levert Frank van den Ende geen uitgewerkt stappenplan voor curriculumontwikkeling. Wel nodigt hij scholen uit om de volgorde van ontwerpen kritisch te heroverwegen. Niet de vraag welke onderwijsinhouden moeten worden aangeboden staat centraal, maar welke ontwikkeling de school bij haar leerlingen wil bevorderen.
Voor scholen die werken aan burgerschapsonderwijs is dat een waardevol ontwerpprincipe. Het helpt om voorbij losse activiteiten te kijken en het curriculum te benaderen als een samenhangende ontwikkelroute waarin de wettelijke opdracht, de schoolcontext en de ontwikkeling van leerlingen met elkaar worden verbonden. Daarmee sluit Van den Endes perspectief nauw aan bij de ambitie om burgerschap doelgericht, samenhangend en herkenbaar vorm te geven.
Klik hier om het gehele artikel te lezen, wat is gepubliceerd in editie 6 (2026) van Van12tot18.