Zes stappen naar burgerschap in het gespecialiseerd onderwijs

Datum toegevoegd: 22 januari 2026
  • Sector GO

Zes stappen naar burgerschap in het gespecialiseerd onderwijs
Een gesprek met adviseurs van het Expertisepunt Burgerschap

Introductie

Scholen in het gespecialiseerd onderwijs kunnen ondersteuning krijgen van adviseurs van het Expertisepunt Burgerschap bij het werken aan burgerschap. Adviseurs Esther van den Berg, Maxe de Rijk en Alexandra Bronsveld delen hun ervaringen en adviezen. Scholen zijn bij uitstek een oefenplaats voor burgerschap, menen de adviseurs, omdat aspecten als respect en het omgaan met verschillen aan de basis van het onderwijs liggen. Je leest over de praktijk van de adviseurs aan de hand van de zes stappen naar burgerschapsonderwijs.

Ga snel naar 

Visie op burgerschap | Context van de school | Doelen voor burgerschap |Samenhang en leerlijnen | De school als oefenplaats | Evalueren van burgerschap 

Visie op burgerschap

Veel scholen in het gespecialiseerd onderwijs ‘ademen’ als het ware burgerschapsonderwijs. Een belangrijke focus ligt op de sociale omgang met elkaar en het leren zelfredzaam te worden. Dit zie je dan ook terug in de visie van scholen. Immers, samen met het bijbrengen van kennis vergroot dit de kansen van leerlingen in de maatschappij. Ook thema’s als democratie en participatie horen in het gespecialiseerd onderwijs thuis. “Vanuit de samenleving wordt er nog wel eens vanuit gegaan dat het vooral gaat om meedoen. Maar er kan veel meer”, zegt Esther. “Scholen denken steeds meer na over hoe hun leerlingen de samenleving ook kunnen vormen. Het is mooi om hen hierin uit te dagen”, vult Maxe aan.

Esther doet dat vaak door te vragen naar de visie van de school voor de plek van hun leerlingen in de samenleving. Wat is die plek nu? En zou dat zo moeten blijven? Recent vroeg ze leraren wat voor dromen zij hebben voor hun leerlingen over het vormen van de samenleving. “Toen kwamen ze tot de conclusie dat die dromen ook voor henzelf golden. ‘Dit is wat wij zelf ook nog te doen hebben’, zeiden ze.” Zo ontstaat steeds meer bewustzijn over mogelijkheden. Scholen vinden het erg leuk om hier samen over na te denken, merken de adviseurs.

Hoe dat binnen de school ingevuld wordt, is natuurlijk voor iedere school weer anders. Alexandra tipt: “Verval niet in grote woorden die je op iedere school kunt plakken. Blijf bij je eigen taal en de kernwaarden die voor jouw school passen. Zo was er een school die voor ‘duizend kansen’ ging, ook voor burgerschapsonderwijs. Met de insteek: ‘Vind je het spannend om je mening te geven of te participeren? Bij ons krijg je oneindig veel kansen en mag je blijven proberen’. Dat spreekt meteen tot de verbeelding.”

Context van de school

Burgerschapsonderwijs moet afgestemd zijn op wat de leerlingen nodig hebben. Daarom is duiding van je leerlingpopulatie nodig: wat betekenen de kenmerken van de leerlingen voor je burgerschapsonderwijs? De adviseurs zien dat scholen in het go vaak goed het overkoepelende probleem kunnen beschrijven, zoals gedragsproblemen. Daarnaast weten deze scholen ook veel van de individuele leerlingen vanuit het eigen Ontwikkelingsperspectief (OPP) van elke leerling. Het is belangrijk dat er een duidelijk beeld is van de diverse achtergronden van leerlingen, zoals discriminatie, trauma of sociaaleconomische problemen. Regelmatig zijn dat maatschappelijke thema’s waarop ingespeeld kan worden bij burgerschapsonderwijs. “Ook binnen teams is vaak veel diversiteit”, constateert Alexandra. “Leraren kijken soms verschillend aan tegen onderwerpen als inspraak, omgaan met verschillen, en wat het betekent dat je stem ertoe doet. Gezamenlijk slagen teams er vaak goed in om vast te stellen wat overkoepelende burgerschapsthema’s zijn die losstaan van de individuele problematiek.”

Hoe je de populatie duidt, heeft consequenties voor hoe lesgegeven wordt. Soms botst dat met ideeën van de school of van individuele docenten. Dat geeft een mooie kans om te werken aan de basiswaarden gelijkwaardigheid en vrijheid van meningsuiting, aldus de adviseurs. “Het is belangrijk dat je vraagt: Welke thema’s behandelen wij? Waar botst het? En wat zegt dit over wat wij te doen hebben?” legt Esther uit. “Juist door de uiteenlopende waarden en idealen is de school een perfecte oefenplaats in hoe je met die verschillen om kunt gaan. Door vanuit de kernwaarden grenzen te stellen én ruimte te geven, zodat iedereen zich gehoord voelt. Dat geldt zowel binnen het team als met leerlingen.”

Wat meespeelt in de context van scholen in het go is de regionale functie die zij hebben. Er is vaak geen wijkgerichte aanpak, waarbij je als wijk in de samenleving staat. En leerlingen komen met busjes uit de hele stad of regio. Ze kunnen vaak niet na school afspreken, want ze worden meteen naar huis gebracht. De vrije tijd na school is dus niet altijd even succesvol. “Dat maakt de ervaringen binnen school extra belangrijk, dat leerlingen elkaar daar echt ontmoeten”, zegt Alexandra. Scholen hebben bijvoorbeeld een verlengde schooldag, waarbij leerlingen verschillende activiteiten kunnen ondernemen en zo hun talenten kunnen ontdekken, zelfvertrouwen vergroten en de wereld verkennen. Daarnaast formuleren sommige scholen doelen die zich richten op het vergroten van de leefwereld van de leerlingen door activiteiten buiten de eigen klas of school te organiseren. Bijvoorbeeld door een gezamenlijke buitenspeeldag met andere scholen in de buurt of door te helpen bij een schoonmaakactie van een wijkcomité.

Door de regiofunctie van go-scholen is voor ouders en verzorgers de afstand tot de school letterlijk vaak groot. De school van Maxe probeert de betrokkenheid te vergroten en ouders meer kansen te geven om te participeren door themabijeenkomsten te organiseren over thema’s die bij leerlingen spelen. Deze zijn zowel overdag als ‘s avonds, zodat deelname ook voor werkende ouders mogelijk is. Maxe: “Ouders worden ook uitgenodigd bij de afsluiting van de thema’s waaraan op school gewerkt is. Veel daarvan is gerelateerd aan burgerschap. Zo zien ouders dat we met grotere thema’s bezig zijn dan alleen taal, rekenen en gedrag. Je bereikt niet iedereen, ook al vanwege de afstand en werk, maar wel een deel, en dat is fijn.”

Doelen voor burgerschap

Aandacht voor sociaal-emotionele doelen draagt bij aan het beter kunnen participeren in de samenleving. “Het is wel belangrijk dat er voor burgerschap een volgende stap aan wordt gekoppeld. Ik zie het als een tweetrapsraket”, zegt Maxe. “Het is heel goed dat je aandacht besteedt aan de sociaal-emotionele doelen, omdat je daarmee je leerlingen in staat stelt om te participeren. Wat is dan de volgende stap? Dat betekent niet dat eerst alle sociaal-emotionele doelen op orde moeten zijn. Ook een kind dat nog elke dag boos wordt, mag een democratisch burger zijn. En ondertussen blijf je grenzen stellen en werken aan de sociaal-emotionele doelen. Uiteindelijk helpen die ook om te kunnen participeren.” 

Maxe vertelt scholen dan ook dat één van de schoolspecifieke burgerschapsdoelen best meer sociaal-emotioneel mag zijn. Op haar eigen school is dat nu: ‘Wie ben ik, wat kan ik, wat wil ik?’ Daarin is ook verwerkt: ‘Ik kan omgaan met emoties’. “Want als je een leuke burger bij het stemhokje wilt zijn, moet je niet boos worden als de kleur van het potlood minder rood is dan je dacht. Om maar wat te noemen. Sociaal-emotioneel leren en burgerschap kunnen dus heel goed samengaan. Maar ik ben er wel scherp op dat dat niet overheerst. Juist nu, juist op deze scholen is het belangrijk dat je laat zien dat je democratische burgers wilt afleveren, daarom moeten die andere doelen daarover gaan. En dat willen scholen eigenlijk ook altijd wel hoor.”  

Esther formuleert het soms andersom. “Ik vraag dan: Als je hoge verwachtingen hebt, wat zijn dan de mogelijkheden voor onze leerlingen om mee te doen en hoe zou dat eruitzien? Wat zou daarvoor nodig zijn, sociaal-emotioneel en qua burgerschap? Dan komen scholen vanzelf op aspecten als: oefenen met participeren, meedoen, kennis over de samenleving. Vanuit deze begrippen kun je komen tot SMART geformuleerde doelen.” 

De schooleigen burgerschapsdoelen moeten passend zijn voor de populatie van de school. Als je in je visie omschrijft dat je wilt dat je leerlingen meedoen, hoe ziet dat er dan uit voor jouw leerlingen? Esther geeft een voorbeeld van een school met leerlingen uit lagere leerroutes: “Door er te zijn, doen hun leerlingen al mee. Door zichtbaar te zijn en mee te doen.” In het regulier onderwijs en de hogere leerroutes zien die visie en doelen er anders uit. Wanneer je je schooldoelen geformuleerd hebt, adviseren Maxe en Esther om die te spiegelen aan de (functionele) kerndoelen: komt alles aan bod?

Er is vaak veel aandacht voor sociale competenties van leerlingen. Hoe kunnen ook maatschappelijke competenties goed in beeld komen? “Op hoofdlijnen kijk ik altijd naar de school: wat zijn de thema’s die op deze specifieke school leven? En wat kun je daarmee met je leerlingen doen? Sluit directer aan bij waarmee leerlingen in hun hoofd zitten”, adviseert Maxe. “Op mijn eigen school zaten alle leerlingen heel erg met Gaza in hun hoofd. En dus zijn we gewoon met een paar andere scholen in Amsterdam gaan demonstreren voor vrede, overal ter wereld. Dat kunnen mijn leerlingen natuurlijk net zo goed als andere leerlingen. En zo heb je meteen die verbinding met de buurt.” Esther vult aan: “Die maatschappelijke competenties zijn natuurlijk eigenlijk sociale en emotionele competenties, maar dan met onbekende anderen. En dat zijn geen generieke vaardigheden. Ik begin nu soms bij activiteiten die de school al in de wereld onderneemt voor leerlingen, bijvoorbeeld een kaartje maken voor de buren of pannenkoeken bakken met ouderen. En dan proberen we terug te redeneren met welk doel dit ooit bedacht is en welke maatschappelijke competenties daar dan in kunnen zitten.”

Samenhang en leerlijnen

Als je alle verschillende doelen voor verschillende leerroutes in een leerlijn wilt zetten, hoe houd je dat overzichtelijk? “Ik adviseer eigenlijk altijd te kijken hoe je dat doet voor de andere leergebieden en te doen wat het beste bij de school past”, vertelt Esther. De doelen kunnen voor alle leerlingen gelijk zijn, terwijl de aanpak verschilt. Maxe: “Het zou mooi zijn als een school van alle leerlingen op het gebied van burgerschap gelijke hoge verwachtingen kan hebben, maar per leerling kijkt hoe daar te komen. Je kunt bij leerlingen voor wie dat echt te hoog gegrepen of ingewikkeld is, altijd nog een zijpad in het OPP maken. Maar mijn streven zou zijn: gelijke doelen voor alle leerlingen.” Esther tekent aan dat dat niet moet leiden tot heel veel OPP-aanpassingen op één leerlijn. Als het daarop uitdraait, kun je beter per leerroute een leerlijn maken. De populatie en context zijn bepalend en daarin zijn de scholen zelf expert, benadrukken de adviseurs.  

Het gespecialiseerd onderwijs heeft hierbij een groot voordeel ten opzichte van het regulier onderwijs, menen zij. Door het werken met OPP’s zijn scholen al gewend om heel erg naar de populatie te kijken en daar een lesprogramma op te bouwen. “In het OPP wordt al zoveel vastgelegd: elke periode, alle sociaal-emotionele doelen. Voeg daar nog vijf burgerschapsdoelen aan toe die je per leerling moet aanvinken. Daardoor is het een minder grote extra belasting dan het in het regulier onderwijs zou zijn.”  

De school als oefenplaats

“In een go-school voel je vaak heel erg ‘burgerschap’, omdat er zoveel rekening met elkaar wordt gehouden”, ervaart Maxe. “Er lopen zoveel verschillende kinderen rond, iedereen zit daar met een reden. Zo leer je respectvol om te gaan met verschillen, juist omdat iedereen iets heeft doorstaan. Daarmee is de school op zich al een oefenplaats, waar natuurlijk heel hard aan gewerkt wordt.” Esther koppelt het aan het onderzoek naar sense of belonging van Willemijn Rinnooy Kan: “In hoeverre voel je je thuis op school en in hoeverre voel je je thuis in deze wereld? De oefenplaats is dat het verhaal van elk kind er mag zijn. We doen alsof het allemaal in activiteiten zit, maar dat is niet zo. Juist gespecialiseerd onderwijs is er zo goed in om kinderen echt thuis te laten zijn op school. En van hieruit kunnen ze met de kinderen oefenen: hoe kun je je thuis voelen in de samenleving. Als we ons niet thuis voelen in onze samenleving, gaan we ons ongelukkig voelen, onszelf isoleren. Dat doet onze democratie geen goed. Als je je thuis voelt in de samenleving, kun je je stem op een goede manier laten horen. De drie basiswaarden van democratie: gelijkheid, vrijheid en solidariteit, dat is het gespecialiseerd onderwijs ten voeten uit.”

Vanuit die basis kunnen scholen ook werken aan democratische vaardigheden, zoals oefenen met leerlingenraden en verkiezingen. Dat kan soms heel eenvoudig zijn. Maxe: “Zo zag ik pas bij kleuters dat ze mochten stemmen wat ze gingen doen: buitenspelen, filmpje kijken of voorlezen. Dat mochten ze met een rood potlood in een stemhokje aankruisen. Met dit soort tools kun je klein beginnen met democratie, je hoeft niet direct mee te doen aan de landelijke scholierenverkiezingen.” Sommige scholen vragen zich af of een leerlingenraad wel representatief is als vooral leerlingen meedoen die al wat meer aan de ‘bovenkant’ zitten, vertelt Maxe. “Ik geef dan mee dat dat in de echte samenleving waarschijnlijk ook zo zal zijn. De school kan leerlingen in de leerlingenraad tools geven waarmee zij rekening kunnen houden met de minderheid – of beter gezegd: de meerderheid, waar zij zelf niet onder vallen. De oefening is dan: wij zijn toevallig de mondige leerlingen die hierover in gesprek kunnen, maar wij zitten hier namens onze achterban; hoe houden wij daar rekening mee? Met de juiste gesprekken en tools, kunnen go-scholen juist een perfecte oefenplaats zijn!”

Evalueren van burgerschap

Als een school vraagt hoe zij de burgerschapsdoelen goed kunnen meten en evalueren, sluit Maxe aan bij wat de school al doet. “Go-scholen zijn al meer kindgericht: ze hebben een portfolio, ze vinken de sociaal-emotionele doelen af in hun leerlingvolgsysteem. Er gebeurt zoveel waar ze gemakkelijk op aan kunnen sluiten. Als ze de doelen, de aanpak en het aanbod duidelijk hebben, dan is evaluatie een hele kleine stap omdat het past binnen de visie van de school op leren.”

Alexandra benadrukt dat het evalueren geen doel op zich is. “Je evalueert je speerpunten en cruciale doelen om te ontdekken waar je je onderwijs kunt verbeteren. Dus ga terug naar je opdracht, geformuleerd vanuit je context, en monitor dat. Je kunt ook heel goed leerlingen uit de hogere leerroutes feedback laten geven en meedenken over instrumenten. En dóe vervolgens ook iets met die gegevens: analyseer ze en pas je aanpak en onderwijs aan. Dan ga je ook verbetering zien!”

Esther vult aan: “Ik gebruikte bij een leergang het Stappenplan om als ZML-school een passend instrument te kiezen waarmee je het burgerschapsonderwijs kunt monitoren. Dat was een verademing voor ze. Ze gingen het zelf helemaal invullen, alle lampjes gingen aan. Toen dacht ik: zo simpel kan het zijn, als je maar goede, meetbare doelen hebt.” 

Wil jij als school ook advies van een van de adviseurs van het Expertisepunt Burgerschap? Hier vind je meer informatie en het aanvraagformulier: Adviseurs burgerschap – Expertisepunt Burgerschap

Meer inspiratie opdoen?

In de inspiratiebundel voor het gespecialiseerd onderwijs vind je een beknopte versie van dit artikel én andere praktijkvoorbeelden.

Blijf op de hoogte!

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
Meld je aan!

 

Blijf op de hoogte!

Schrijf je net als 7200 andere
onderwijsprofessionals in voor
onze nieuwsbrief

"*" geeft vereiste velden aan

Selecteer één of meerdere sectoren*