In 2027 vindt opnieuw een landelijke peiling plaats naar burgerschap in het primair onderwijs, speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs. Met deze peiling is het doel om burgerschapscompetenties van leerlingen in deze sectoren in kaart te brengen en manieren te laten zien hoe scholen burgerschapsonderwijs vormgeven.
Deze voorstudie helpt daarbij door in beeld te brengen wat belangrijke aspecten van burgerschap zijn, welke elementen vermoedelijk bijdragen aan goed burgerschapsonderwijs en op welke manier we dit het beste kunnen meten.
Burgerschapsonderwijs en het meten daarvan is complex. Het begrip burgerschap bevat fundamentele tegenstellingen, is breed en normatief: het gaat zowel over kennis, vaardigheden en houdingen, als over het leren meedoen in de samenleving én zelf vormgeven daaraan. Met meetinstrumenten kan nu maar een deel van dit geheel in beeld gebracht worden. Zo zijn er vooral instrumenten voor het voortgezet onderwijs, terwijl het primair en (voortgezet) speciaal onderwijs nauwelijks wordt meegenomen. Ook hebben bestaande instrumenten beperkingen: kennis wordt vaak alleen op lagere niveaus van Bloom gemeten, vaardigheden zijn lastig betrouwbaar vast te stellen, en bij houdingen wordt de context vaak niet meegenomen. Hiernaast ligt de nadruk meer op voegen dan vormen en ontbreekt de omstredenheid van het begrip. Er is dus een noodzaak voor verdere ontwikkeling van meetinstrumenten die recht doen aan de complexiteit van burgerschap en bruikbaar zijn in verschillende onderwijssectoren.
Scholen spelen een belangrijke rol in het ontwikkelen van democratische competenties bij leerlingen, zowel via vakken als maatschappijleer en geschiedenis, als via werkvormen als discussies, projecten en simulaties. Ook de schoolcultuur biedt kansen om democratie te oefenen, bijvoorbeeld door inspraak en gezamenlijke besluitvorming, al is die invloed in de praktijk vaak beperkt. Onderzoek naar democratisch leren richt zich nu vooral op kennis en basale houdingen, terwijl complexere aspecten zoals spanningen tussen waarden, solidariteit en kritisch denken minder aan bod komen. Er is daarom behoefte aan meer en betere meetinstrumenten en onderzoek naar effectieve didactische aanpakken die recht doen aan de complexiteit van democratie.
Leren omgaan met verschil begint al op de basisschool en gaat zowel over de omgang met anderen als over het begrijpen van maatschappelijke ongelijkheid. In de wettelijke opdracht rond diversiteit staat kennis en respect voor verschillen centraal, wat kan variëren van het leren tolereren van verschillen tot het actief opkomen voor de ruimte van de ander. Dit vraagt van leerlingen en leraren kennis over typen verschillen, stereotypen, discriminatie en racisme. Positief contact tussen groepen blijkt een effectieve manier om verschillen bespreekbaar te maken, terwijl een bredere focus op sociale rechtvaardigheid vaak een schoolbrede aanpak vraagt die zichtbaar is in visie, relaties en onderwijspraktijk. Onderzoek biedt aanknopingspunten om intergroeps- en interculturele competenties te meten, maar er is nog instrumentontwikkeling nodig om dit goed te kunnen toepassen in de Nederlandse context.
Morele oordeelsvorming is een belangrijk onderdeel van burgerschapsonderwijs, omdat het gaat over de vraag wat goed of rechtvaardig is om te doen in maatschappelijke kwesties. Het sluit nauw aan bij de wet en de kerndoelen en vraagt, net als andere kernconcepten van burgerschap, om normatieve keuzes van scholen en leraren: in hoeverre richt je je op het overdragen van waarden en in hoeverre op de eigen oordeelsvorming van leerlingen? Onderzoek laat zien dat kinderen al op jonge leeftijd moreel kunnen redeneren. Er is echter nog weinig geschikt instrumentarium beschikbaar om morele kennis, vaardigheden en houdingen goed in kaart te brengen, zeker in het primair onderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs en in de Nederlandse context.
Deze overzichtsstudie laat zien dat het onderzoek naar burgerschapscompetenties en burgerschapsonderwijs de afgelopen jaren is toegenomen, maar nog steeds beperkt is, vooral voor primair en (voortgezet) speciaal onderwijs. De meeste studies richten zich op kennis, vaardigheden en houdingen van leerlingen, terwijl andere aspecten van burgerschap, zoals waarden, opvattingen en decontextualisering, nauwelijks onderzocht worden. Onderzoek laat zien dat burgerschapsonderwijs via curriculum en school als oefenplaats positieve effecten kan hebben, maar er is nog weinig duidelijk over welke pedagogisch-didactische handelingen het meest effectief zijn. Meetinstrumenten zijn vaak beperkt tot vragenlijsten en zelfrapportages, terwijl kwalitatieve methoden veel potentie hebben maar nog onvoldoende ontwikkeld en beschikbaar zijn. Belangrijke aandachtspunten voor toekomstig onderzoek zijn het verder ontwikkelen van instrumenten, expliciet keuzes maken over welke aspecten van burgerschap gemeten worden, en rekening houden met de tegenstellingen van burgerschap, bijvoorbeeld door te laten zien welke waarden en dilemma’s aan de orde zijn.
Een aantal praktische aanbevelingen die gehaald kunnen worden uit het uitgevoerde literatuuronderzoek zijn:
Dr. Hessel Nieuwelink onderzoekt hoe jongeren democratie ervaren en hoe leraren effectief burgerschapsonderwijs en controversiële onderwerpen in de klas kunnen vormgeven. Dr. Willemijn Rinnooy Kan bestudeert ongelijkheid in burgerschapservaringen van kinderen en jongeren gedurende hun schoolloopbaan. Dr. Floor Rombout richt zich op dialogisch onderwijs en pedagogische strategieën om kritische morele oordeelsvorming bij leerlingen te bevorderen. Jip Yri Teegelbeckers MSc. onderzoekt en ontwikkelt effectief democratieonderwijs voor mbo-studenten, inclusief simulaties en materiaal om politiek zelfvertrouwen maken over welke aspecten van burgerschap gemeten worden, en rekening houden met de tegenstellingen van burgerschap, bijvoorbeeld door te laten zien welke waarden en dilemma’s aan de orde zijn. en stemintentie te stimuleren.