SBO De Catamaran is een school voor speciaal basisonderwijs in Spijkenisse. Ze is er voor leerlingen bij wie er sprake kan zijn van een beneden gemiddelde intelligentie en ontwikkelingsachterstand. Ook kinderen met gedragsproblemen en/of sociaal emotionele problematiek vinden hier een plaats. De school is onderdeel van Nissewijs Scholengroep.
De school profileert zich als een ‘samenlevingsschool’ die de maatschappelijke kansen van kwetsbare leerlingen vergroot door middel van ‘ontmoetingsleren’. Hierbij staat de dialoog centraal: leerlingen ontdekken wie zij zijn in relatie tot de ander en leren respectvol omgaan met verschillende wereldbeelden. Als veilige oefenplaats verweeft de school burgerschap in de dagelijkse praktijk, van judolessen over respect tot democratisch stemmen in de klas. Door basisvaardigheden te koppelen aan sociale weerbaarheid, bereidt De Catamaran leerlingen voor op een gelijkwaardige plek in de maatschappij.
Directeur Ed Bol stond het Expertisepunt Burgerschap te woord voor een interview en Maxine Verwoert, groepsleerkracht eindbouw, opende de deur van haar klaslokaal. Hoe ziet burgerschap bij SBO De Catamaran eruit? Hoe is dit ontwikkeld? En welke plaats neemt het ‘ontmoetingsleren’ op deze school in? Je leest hierover meer aan de hand van zes stappen die je kunt volgen om burgerschapsonderwijs vorm te geven.
Ga snel naar:
De Catamaran is het resultaat van de fusie tussen de christelijke SBO De Branding en de openbare SBO De Tandem. Dat maakt de Catamaran een zogenaamde samenwerkingsschool. De Catamaran noemt zichzelf liever een ‘samenlevingsschool’. Dit heeft te maken met het ‘ontmoetingsleren’, één van de pijlers onder de nieuwe school. De verschillende achtergrond van beide scholen heeft de werkwijze van de school nooit in de weg gestaan. Directeur Ed Bol: “Omdat we een ander fundament gekozen hebben, is er geen enkele discussie geweest over de grondslag. We hebben vanaf het begin gezegd: ‘We werken op de Branding, we werken op de Tandem, maar we bouwen aan de Tanding’.”
Dat fundament is de visie van de school: Regulier waar het kan, speciaal waar het moet, maar bovenal speciaal voor jou. Met als doel: het vergroten van de kansen van kinderen. Wat is daarvoor nodig? “Enerzijds basisvaardigheden als lezen en rekenen, want als je niet kunt lezen, kun je niet meedoen met wat dan ook in de maatschappij. Anderzijds sociale vaardigheden, een goede sociaal-emotionele ontwikkeling, weten wat er in de omgeving en in de wereld gebeurt. Daar ligt voor ons de focus”, vertelt Ed. En dat is leidend bij de keuzes die de school maakt: “Als hier iemand met een voorstel komt, dan kijken we: vergroot hierdoor de kans voor kinderen op succes, later in de maatschappij? Zo ja, dan vind ik het een goed idee. Zo nee, dan doen we het niet.”
Hiermee schetst hij de context voor hoe burgerschap binnen de school vorm wordt gegeven. “Het kan bij ons nooit alleen een apart vak zijn. Onze visie op burgerschap is een integraal verhaal. We hebben gekeken naar wat we al doen en wat daarin specifiek burgerschap zou zijn.”
Fundament onder het onderwijs op De Catamaran is het ontmoetingsleren. Dit betekent dat steeds met leerlingen het gesprek wordt aangegaan over wie zij zijn, wie de ander is en hoe zij zich tot elkaar kunnen verhouden. De leerkracht stimuleert ontmoetingen tussen leerlingen door een open houding aan te nemen, te luisteren, open vragen te stellen en bronnen in te brengen, zoals verhalen uit mythes en verschillende religieuze tradities. Hierin kan ook het perspectief van de leerkracht een plaats krijgen. Het streven is steeds in verbinding te blijven. De leerlingen mogen altijd hun eigen mening geven en kunnen zich spiegelen aan elkaar en aan de leerkracht.
Ontmoetingsleren is ontwikkeld door Erik Renkema, samen met het schoolbestuur van de Nissewijs scholengroep, waarvan De Catamaran deel uitmaakt. Het is een toegankelijke versie van het academische concept ‘hermeneutisch-communicatief leren’. Dit laatste komt voort uit de Vlaamse levensbeschouwelijke pedagogiek en is door hogescholen als de Marnix Academie en Windesheim door ontwikkeld.
Tegenwoordig gebruikt Renkema de term ‘levensbeschouwelijke burgerschapsvorming’ om aan te sluiten bij de burgerschapsopdracht en -wet. Burgerschapsonderwijs wordt hierbij niet versmald tot levensbeschouwing, maar juist verdiept door het kleur te geven vanuit mens- en wereldbeelden.
De school kent veel kwetsbare leerlingen op het gebied van taal en lezen; bij een grote groep is de diagnose taalontwikkelingsstoornis (TOS) vastgesteld. Bij veel jonge leerlingen is er sprake van grotere ontwikkelingsachterstanden dan voorheen: steeds meer kinderen zijn niet zindelijk, hebben een zeer beperkte woordenschat of hebben niet ‘geleerd’ om samen te spelen of samen te werken. Bijna de helft van de kinderen komt uit een eenoudergezin en er zijn veel culturele minderheden. Om de kansen van deze leerlingen te vergroten staan de basisvaardigheden lezen en rekenen centraal, ook waar het gaat om burgerschap. “Want mee kunnen doen in de maatschappij begint met lezen”, zegt Ed. “Veel mensen hier werken bijvoorbeeld in de industrie. Als je daar voorbij de slagboom wilt komen, moet je je veiligheidscertificaat halen. Wie niet kan lezen, is kansloos bij 90% van de bedrijven. Dat bespreken we dus ook met de kinderen.”
De nieuwe manier van werken sinds de fusie heeft het team wel moeten leren, erkent Ed. Wat het in de praktijk inhoudt, was niet meteen voor iedereen duidelijk. “Een collega vroeg bijvoorbeeld: kunnen we het kerstdiner veranderen in een winterdiner. Die had nog niet begrepen wat we bedoelen met ontmoetingsleren”, vertelt Ed. “Aanvankelijk kwamen mensen met het moslimgeloof niet naar het kerstdiner. We hebben toen de ouders uitgenodigd en uitgelegd dat bij het kerstdiner leerlingen met een christelijk geloof kunnen vertellen wat dat voor hen betekent, of ze naar de kerk gaan, hoe ze dat thuis vieren, en wij zorgen daarbij voor lekker eten. Een andere keer vieren we het Suikerfeest, en dan kunnen moslimleerlingen vertellen hoe dat voor hen is. Momenteel hebben we het over het Hindoeïstische lichtfeest Divali. Leerlingen zoeken hier zelf informatie over op en een leerkracht vertelt over hoe zij dat viert. Wat je nu gelooft of niet gelooft, het gaat erom naar elkaar te luisteren, elkaar vragen stellen, respect voor elkaar hebben en van elkaar leren.”
Ook ouders moeten ‘leren’ wat het onderwijs van de Catamaran aan hun kind betekent. Sommigen vragen om veel uitzonderingen terwijl het schoolbeleid dat niet toestaat en het ook in praktische zin niet mogelijk is. “Jouw kind is voor ons het meest bijzondere kind dat er is, net zoals alle andere kinderen”, is de boodschap die Ed die ouders meegeeft. “We zijn er speciaal voor dat kind, voor die ouders, voor de collega’s. Maar dat betekent niet dat wat jij wilt, ook gebeurt. Een ouder begint soms over de eigen opvoedingsstijl. Wij leggen dan uit dat we hier 160 kinderen uit 140 gezinnen hebben. Denk je dat die allemaal hetzelfde zijn? Dus wij kiezen de opvoedingsstijl voor de school. Waarbij respect aan de basis ligt.”
De Catamaran gebruikt geen aparte methode voor burgerschapsvorming. Ed: “Op dit moment hebben we op het gebied van burgerschap vooral doelen als kansen vergroten en leren meedoen beschreven, nog gekoppeld aan de oude kerndoelen. We werken ernaar toe dat met de nieuwe kerndoelen ook de burgerschapsdoelen kennis, houding en vaardigheden meer uitgewerkt worden.” Dat is een proces waar tijd voor nodig is, vertelt hij. “Zeker in de middenbouw zijn we vooral bezig om leerlingen in de leerstand te krijgen, zorgen dat ze zelfvertrouwen krijgen om meer te leren. Dat kost soms zoveel tijd en energie dat er niet veel ruimte overblijft voor specifiek burgerschap.”
De reguliere kerndoelen zijn voor sommige leerlingen niet haalbaar. Maar dat betekent niet dat de school al op voorhand inzet op functionele kerndoelen. Ed: “We zullen die op een gegeven moment moeten gaan beschrijven, als ze zijn vastgelegd. Maar dat is niet ons uitgangspunt. We proberen kinderen met hoge verwachtingen van onze kernwaarden de wereld in te sturen. Als wij op voorhand al terug gaan schakelen, schakelen zij nog verder terug, dus dat doen we niet. Wij geven hetzelfde aanbod als de reguliere school, alleen doen we dat in een ander tempo en in een goed pedagogisch klimaat, waardoor een kind bepaalde dingen wél kan leren.”
Voor alle leerlingen is het bijvoorbeeld belangrijk dat zij begrijpen hoe de wereld globaal in elkaar zit, letterlijk en figuurlijk. “Vooral omdat je moet weten of iets dat gebeurt nou ver weg of dichtbij is”, licht Ed toe. “Kinderen krijgen zoveel beelden binnen, dan moet je wel proberen te schiften. Als jij het idee hebt dat Oekraïne op fietsafstand is, ben je veel banger bij beelden op tv dan wanneer je weet dat het 2000 kilometer hier vandaan is. Of als je een vloedgolf over een kade ziet lopen en je denkt dat het hier bij de Hartelbrug is, is dat veel enger dan wanneer je weet dat het aan de andere kant van de wereld is.”
Globaal werkt de school met drie soorten onderwerpen. Eén thema komt ieder jaar aan bod. Een tweede thema komt uit de actualiteit, licht Ed toe. “Voor het derde thema wordt aangesloten bij wat bij de kinderen speelt. En dan is het aan ons om daarin de verbinding te leggen. Dat betekent niet dat we precies weten hoe een leerlijn loopt, maar globaal weten we natuurlijk wel wat aan de orde komt in de onder-, midden-, boven- en eindbouw. En daar zit door de jaren heen ook een opbouw in.” In de praktijk betekent dit dat het team met elkaar heeft opgeschreven wat het al doet. Dat is omgezet in lijsten, waaraan leerdoelen zijn toegevoegd. Die lijst groeit. En zo ontwikkelen de leerlijnen zich.
Een mooi voorbeeld vindt Ed de overlap tussen burgerschap, ontmoetingsleren en wereldoriëntatie. Zo vierde een leerling de verjaardag van Mohammed, anderen – ook andere moslimkinderen – hadden er nog nooit van gehoord. “Van daaruit kregen we het over de christelijke kalender die uitgaat van de aarde die rond de zon draait, terwijl de kalender van moslims uitgaat van de maan die om de aarde draait. Zo maken we verbinding met wereldoriëntatie, rekenen, het besef dat dingen soms anders zitten dan gedacht. Een deel van de kinderen begrijpt dat niet, maar zij hebben het dan in ieder geval een keer gehoord.”
Verder is een belangrijke ontwikkeling is de overgang van individueel naar meer groepsonderwijs. “We begonnen ooit met volledig individueel onderwijs, dus elk kind een individueel plan”, vertelt Ed. “Toen bleek dat je dan geen instructie kunt geven, geen verhalen kunt vertellen, omdat iedereen op een andere plek zit. We groeien nu langzaam toe via groepsonderwijs naar het vertellen van één centraal verhaal, waarbij verschilt wat de diverse leerlingen ermee gaan doen. De één kan misschien een tekening maken, de ander moet dingen nazoeken.”
Dat niet alles individueel kan, heeft ook een maatschappelijke insteek. Leerlingen moeten leren dat niet alles om hen draait, aldus Ed. “Sommige mensen lijken te vinden dat zij op een aparte manier aangesproken moeten worden, jij bent klant en moet krijgen wat je wilt. Dit komt via ouders ook steeds meer de school in. Maar ons doel als school is het vergroten van kansen en gelijkwaardigheid. En als we daarin meegaan, vergroten we geen kansen. Kinderen moeten ook leren luisteren. Want ze gaan in de toekomst waarschijnlijk voor een baas werken. Als die zegt: ‘Oo 7 uur bij het busje’, en je bent te laat, dan willen ze een eerste keer misschien nog wel wachten, maar de tweede of derde keer niet meer. Je kunt wel denken dat dat voor anderen geldt en niet voor jou, maar zo’n feest is het in de maatschappij niet.”
Aspecten van burgerschap komen terug in veel van wat in school gebeurt. Hoe ziet dit er in de praktijk uit? Ed geeft een heel concreet voorbeeld: “Als een klas een beloning heeft verdiend, kijken we met elkaar: wat voor beloning dan? Je kunt vertellen: de meerderheid krijgt zijn zin. Maar echte democratie gaat ook over: hoe zit de minderheid erin? De meerderheid mag wel kiezen maar zorgt ervoor dat de minderheid ook kan krijgen wat ze willen. Als je wint en de ander uitlacht, heb je dat niet begrepen; dat betekent automatisch dat de minderheid mag kiezen. Dan moet de minderheid laten zien hoe ze nu ook de meerderheid tevreden kan stellen.”
Essentieel om tot leren te komen is een veilige omgeving. “Als je je niet veilig voelt, dan oefen je niets,” zegt Ed. “Je merkt het met voetballen: komen ze met 1-0 achter, dan lopen ze weg. Ze moeten gaan ervaren wat het betekent om te oefenen om beter te kunnen worden. En daarvoor moet je je veilig voelen.” Dat oefenen gebeurt bijvoorbeeld bij judo. De leerlingen leren dat ze elkaar moeten vastpakken en moeten proberen de ander naar achteren over een rode lijn te duwen. Dat betekent: vooraf bedenken, rekening houden met elkaar, samenwerken. Ed: “Als dan een grote knul met een klein meisje judoot, legt de judoleraar uit dat respect en samenwerken betekent dat de grote knul zorgt dat ze hard moet werken om te oefenen. Als hij haar gewoon over de lijn duwt, is er niets aan, en als hij gewoon meeloopt, heeft zij daar ook niets aan.”
Leren omgaan met elkaar is niet alleen van belang binnen de school, maar juist ook buiten de school, in de maatschappij. Hoe doe je dit met de ‘vreemde ander’? Dat begint al bij jonge kinderen. Hoe ziet een boos, teleurgesteld of verdrietig gezicht eruit? En hoe communiceer je met mensen buiten? Ed vertelt: “We vragen bijvoorbeeld: Mag je gewoon naar een hond toe lopen om te aaien, of moet je dat aan het baasje vragen? Waarom moet je dat dan vragen? Want je vindt dat beest toch lief? En als ze nee zeggen, moet je het dan wel doen?”
Volgens Ed is het moeilijkste het aangaan van een echt gesprek. Bij gevoelige onderwerpen, zoals een discussie over Israël, wordt er niet gesproken over goed of fout, maar wordt gevraagd naar het onderliggende gevoel: “wat voor gevoel heb je erbij als je dit ziet? Wat speelt er dan? Waarom zijn mensen daar nou zo boos over?” Toch wordt er altijd een grens gesteld: fysiek geweld leidt tot schorsing. Dit balanceren is ook zichtbaar in de dagelijkse omgang met regels en gedrag. “Enerzijds wil je orde, rust en regelmaat in school, dus je kunt best zeggen dat elkaar beledigen verboden is. Maar als je kinderen die thuis leren om te vloeken alleen maar straf geeft, dan leren ze er niets van, hooguit dat het op school niet mag. Dus hoe kun je hen leren dat schelden een keuze is? Dat vraagt veel van de pedagogische competenties van de schoolmedewerkers en die moet je hier ook wel hebben.”
Burgerschap zit dus vooral verweven in veel dingen die in school gebeuren. Maar daarnaast wordt, zeker in de bovenbouw, ook gewoon lesgegeven over burgerschap. We kijken even binnen bij groep 8, waar juf Maxine vandaag met de klas over democratie praat. “Wat is burgerschap?” vraagt ze. “Dat je meedoet in de maatschappij”, antwoordt een leerling. Wat betekent dat? “Je aan de regels houden”, zegt een leerling, een ander vult aan: “Bijvoorbeeld een oud vrouwtje helpen.” Als het over rechten en plichten gaat, weet de klas dat stemmen bij verkiezingen niet verplicht is. Maar op de vraag of het wel verstandig is, klinkt een luid “JA!!”
De juf oefent door middel van stellingen met democratisch stemmen, waarbij zij aangeeft dat het om een mening gaat, niet om goed of fout, en de leerlingen argumenten aandragen. Zo wordt gesproken over het invoeren van een schooluniform. Tweederde van de klas is voor: het is gemakkelijker en je wordt niet gepest omdat iedereen hetzelfde draagt. De tegenstanders willen zelf kunnen kiezen en zeggen dat je nog steeds gepest kunt worden, maar dan met andere dingen. En mogen ouders meekijken op de telefoon? “Ik heb niets te verbergen”, zegt een deel. Het merendeel heeft behoefte aan privacy en is bang voor straf, bijvoorbeeld als er per ongeluk iets verkeerds is gezegd. Tot slot werken de leerlingen zelfstandig in Snappet aan opdrachten van de les burgerschap.
In mei wordt op De Catamaran het jaarplan geëvalueerd. In een van de onderdelen, de ‘Catapedia’, staan de afspraken. Een borggroep zorgt ervoor dat de afspraken op onderdelen aan bod komen op de teamvergadering. Ed: “Dan bekijken we: hoe staan we daar nu in? Willen we dat nog zo? Willen we dat veranderen?”
Op advies van de Inspectie van het Onderwijs is aan alle onderdelen een leerdoel toegevoegd, één zin per thema. “We proberen het meetbaar te maken, al is dat soms ingewikkeld. We halen bijvoorbeeld trends uit het sociaal-emotioneel volgsysteem. Want als kinderen alleen maar leren lezen en rekenen, krijgen ze te weinig bagage mee die ze vaak ook niet meekrijgen van thuis,” vertelt Ed.
Vanuit het volgsysteem wordt eerst naar de groep gekeken: wat heeft deze groep nodig om een groep te worden? Dat kan gaan over orde, rust en regelmaat, maar ook over welke rol bepaalde leerlingen spelen. Binnen de groep gaat het over sociaal leren. Dan kan voor de één betekenen: hoe krijg je nou niet altijd je zin? En voor de ander: Hoe krijg jij nou wel je zin? Ed: “Dat is bij ons per kind natuurlijk op maat gesneden. Als we een kind zien dat niet voor zichzelf opkomt, moedigen we het aan om dat wel te doen. Of we kaarten aan: als je het hardste roept dat je gelijk hebt, heb je dan ook gelijk? Klopt dat?”
“Mijn belangrijkste tip: ga beginnen. Blijf niet in rondjes draaien over wat er allemaal moet. Als je alles wilt doen wat moet, kom je dagen tekort. Je moet van al die dingen die moeten iets werkbaars maken. Dus kijk eerst naar wat je allemaal al doet en hoe burgerschap daarin verweven is. En kies vervolgens wat je erbij gaat doen”, aldus Ed.