Wet- en Regelgeving

Wat ‘goed’ burgerschapsonderwijs is, bepaalt elke school zelf op basis van haar idealen en wat de leerlingen nodig hebben. Zo ontstaat onderwijs met concrete leerdoelen, een bijpassend aanbod en zicht op de resultaten. Vervolgens is het belangrijk om na te gaan of de school hiermee ook aan de wettelijke eisen voldoet. Op deze pagina vind je informatie over de wettelijke kaders en de minimale inhoud die in de burgerschapsopdracht is vastgelegd.

Afbeelding over

Actief burgerschap en sociale cohesie

De wettelijke opdracht gaat over het bevorderen van actief burgerschap en sociale cohesie. Deze begrippen hangen met elkaar samen, maar betekenen niet hetzelfde.

Actief burgerschap

Actief burgerschap verwijst naar het bereid zijn en het kunnen deel uitmaken van de Nederlandse samenleving en daar actief aan bij te dragen.

Sociale cohesie

Sociale cohesie gaat over gelijkwaardigheid en gedeelde waarden, ongeacht ieders achtergrond. Het gaat om het leren samenleven met elkaar; dat alle burgers meedoen aan de maatschappij en zich betrokken voelen bij de diverse uitingen van de Nederlandse cultuur.

Waarom is burgerschap een opdracht aan scholen?

Om op een constructieve en vreedzame manier samen te kunnen leven, is het nodig dat we de spelregels van de samenleving kennen en delen. Kinderen worden niet geboren met een ‘democratisch gen’ en het is niet altijd vanzelfsprekend dat zij vanuit huis kennis en respect meekrijgen voor de basiswaarden van onze samenleving. Dit vraagt van scholen dat zij leerlingen kennis en respect voor de basiswaarden bijbrengen en hen uitdagen om hier dagelijks mee te oefenen. Scholen zijn belangrijke ontmoetingsplaatsen, waar leerlingen dagelijks oefenen in samenleven met anderen die anders zijn of anders denken. Hier ontwikkelen leerlingen een verdraagzame houding.

Wettelijke opdracht

De wettelijke opdracht voor burgerschap staat voor het primair onderwijs in artikel 8, derde lid en lid 3a, van de Wet op het primair onderwijs (WPO). Deze bepalingen gelden sinds 1 augustus 2021.

De wettelijke tekst

Artikel 8, derde lid

Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze, waarbij het onderwijs zich in ieder geval herkenbaar richt op:

  • Het bijbrengen van respect voor en kennis van basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals verankerd in de Grondwet, en de universeel geldende fundamentele rechten en vrijheden van de mens, en het handelen naar deze basiswaarden op school;
  • het ontwikkelen van de sociale en maatschappelijke competenties die de leerling in staat stellen deel uit te maken van en bij te dragen aan de pluriforme democratische samenleving; en
  • het bijbrengen van kennis over en respect voor verschillen in godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, afkomst, geslacht, handicap of seksuele gerichtheid alsmede de waarde dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden.

Artikel 8, lid 3a

Het bevoegd gezag draagt zorg voor een schoolcultuur die in overeenstemming is met de waarden, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, creëert een omgeving waarin leerlingen worden gestimuleerd actief te oefenen met de omgang met en het handelen naar deze waarden en draagt voorts zorg voor een omgeving waarin leerlingen en personeel zich veilig en geaccepteerd weten, ongeacht de in het derde lid, onder c, genoemde verschillen.

Welke onderwijsinhoud stelt de wet verplicht?

Scholen krijgen de ruimte om zelf de inhoud te bepalen van hun burgerschapsonderwijs. Dit is in lijn met de vrijheid van onderwijs. Tegelijkertijd bepaalt de wet welke onderwerpen minimaal aan bod moeten komen. Dit is het onderwijsinhoudelijke deel van de burgerschapsopdracht en het eerste onderdeel: de bevordering van burgerschap via het curriculum. Dit onderwijsinhoudelijke deel is verder uitgewerkt in de kerndoelen voor burgerschap.

  • Kennis van en respect voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat 
    Deze waarden vormen de basis van onze diverse samenleving en zijn de verbindende factor. Ze zorgen ervoor dat mensen met uiteenlopende waarden en normen vreedzaam met elkaar samen kunnen leven. Uit het overkoepelend uitgangspunt van menselijke waardigheid volgen drie algemeen aanvaarde waarden:

    • Vrijheid: alle mensen in Nederland zijn vrij om te denken en te doen wat ze willen, zolang ze daarbij de vrijheid en gelijkwaardigheid van anderen respecteren.
    • Gelijkwaardigheid: iedereen in Nederland is gelijkwaardig aan elkaar en is gelijk voor de wet.
    • Solidariteit: gemeenschappelijke waarden die betrekking hebben op de omgang tussen mensen, zoals respect, verdraagzaamheid, integriteit en verantwoordelijkheidszin.
  • De Inspectie van het Onderwijs heeft de drie basiswaarden uitgewerkt in acht elementen:

    – De basiswaarde vrijheid wordt bevorderd door aandacht voor (1) vrijheid van meningsuiting en (2) autonomie.

    – Gelijkwaardigheid wordt bevorderd in de vorm van het (3) gelijkheidsbeginsel en het (4) afwijzen van discriminatie.

    – Solidariteit wordt bevorderd door (5) verdraagzaamheid, (6) begrip en (7) verantwoordelijkheidsbesef en het (8) afwijzen van onverdraagzaamheid.

    In de onderwijspraktijk is dit de minimale kern waaraan een school moet voldoen bij de bevordering van respect voor en de kennis van basiswaarden. In bijlage 8 van de Onderzoekskaders worden ze verder geoperationaliseerd en voorzien van uitleg. 

  • Het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties 
    Om te leren functioneren in een democratische samenleving is niet alleen theoretische kennis nodig, maar ook competenties. Democratie gaat ook om sociale omgang tussen mensen. Op school leren leerlingen samen te werken en te leven, om te gaan met maatschappelijke spelregels, hun eigen identiteit te ontwikkelen, hun mening te vormen en die van anderen te respecteren. Op jonge leeftijd spitst de ontwikkeling van competenties zich toe op de begeleiding bij de sociale en emotionele ontwikkeling, en als leerlingen ouder worden komen daar complexere maatschappelijke vraagstukken bij.
  • Kennis over en respect voor diversiteit  
    Scholen moeten leerlingen leren dat mensen van elkaar verschillen, maar altijd gelijkwaardig zijn. Scholen moeten dus kennis bijbrengen over de verschillen tussen mensen en het feit dat deze verschillen gerespecteerd moeten worden.

Schoolcultuur en de oefenplaats

Burgerschap krijgt niet alleen vorm in het onderwijsprogramma, maar ook in de dagelijkse praktijk van de school.

De wet verplicht dat burgerschap verweven is met de schoolcultuur; ze moet niet alleen op papier staan, maar ook in praktijk worden gebracht. Dit is het tweede onderdeel van de burgerschapsopdracht: de plicht van het schoolbestuur om te zorgen voor een:

  • schoolcultuur die past bij  de basiswaarden van de democratische rechtsstaat;
  • omgeving waarin leerlingen worden gestimuleerd om actief te oefenen met de omgang met en het handelen naar deze waarden;
  • omgeving waarin leerlingen en personeel zich veilig en geaccepteerd weten.

Wanneer leerlingen actief oefenen en voorbeeldgedrag zien, maken zij zich burgerschapscompetenties eigen en neemt het leereffect toe. Bestuurders, leraren, ondersteunend personeel en vrijwilligers hebben hierbij een belangrijke voorbeeldrol.

Door de democratische spelregels voor te leven ontstaat er een schoolcultuur die in lijn is met de basiswaarden. Ook biedt deze een respectvolle, veilige oefenplaats waarin leerlingen kunnen oefenen met samenleven.

Hoe ziet een oefenplaats eruit?

De wet schrijft niet voor hoe de schoolcultuur en de school als oefenplaats er precies uit moeten zien.

Een leerlingenraad, klassenvergaderingen en participatieprojecten zijn voorbeelden van manieren waarop leerlingen kunnen oefenen met democratie en participatie. Deze activiteiten zijn niet wettelijk verplicht en passen ook niet bij iedere leerlingpopulatie. Scholen hebben ruime vrijheid om hier vorm aan te geven vanuit de eigen identiteit, passend bij hun leerlingpopulatie en visie.

Verantwoordelijkheid van het schoolbestuur

De wettelijke verantwoordelijkheid voor de schoolcultuur ligt bij het schoolbestuur, oftewel het bevoegd gezag. Het schoolbestuur heeft de plicht om te zorgen dat personeelsleden het goede voorbeeld geven. Als er uitingen of gedrag is in strijd met de basiswaarden, zoals discriminerende opmerkingen of intolerante acties van leerlingen of personeelsleden, moet het bestuur optreden. Dit vormt de wettelijke ondergrens.

  • Wanneer kan de Inspectie optreden?

    De Inspectie van het Onderwijs kan optreden als een school volgens de Inspectie over deze wettelijke ondergrens gaat. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren wanneer het schoolbestuur niet of onvoldoende optreedt tegen discriminerende opmerkingen of intolerante acties.

    Een incidentele verspreking of misplaatste grap leidt niet automatisch tot een overtreding van de wet; de context, ernst, herhaling, positie van het personeelslid en reactie van het schoolbestuur zijn bepalend.

    De wettelijke ondergrens betekent niet dat personeelsleden of het schoolbestuur eindverantwoordelijk zijn voor het gedrag van leerlingen of dat leerlingen die basiswaarden niet ter discussie zouden mogen stellen. Van scholen wordt wel verwacht dat zij gesprekken over deze waarden stimuleren. Daarbij leren leerlingen wat de waarden betekenen en welke verantwoordelijkheid iedereen heeft om respectvol met elkaar om te gaan.  

 

Wat betekenen de begrippen ‘doelgericht’, ‘samenhangend’ en ‘herkenbaar’?

De wet stelt niet alleen eisen aan wat leerlingen over burgerschap leren. Er zijn ook eisen aan hoe scholen kun burgerschapsonderwijs organiseren. De wet introduceert de begrippen ‘doelgericht’, ‘samenhangend’ en ‘herkenbaar’, wat de zogenoemde ‘onderwijskundige uitgangspunten’ vormen.  Het is de bedoeling dat een school een curriculum voor burgerschapsonderwijs ontwikkelt dat verschillende activiteiten koppelt aan heldere leerdoelen, die zich richten op de leerlingpopulatie. Een curriculum waarin stapsgewijs wordt toegewerkt naar de realisering van de leerdoelen.

  • Doelgericht betekent dat de school moet werken met concrete leerdoelen. Dat zijn leerdoelen die duidelijk maken aan welke groepen leerlingen de school wat wil leren. Deze leerdoelen zijn uitgesplitst in kennis, houdingen en vaardigheden.
  • Samenhangend betekent dat er een gepland curriculum is. De leerdoelen, de te leren inhoud en de aanpak van de school volgen een logische opbouw.
  • Herkenbaar betekent dat het geplande burgerschapsonderwijs ook daadwerkelijk terug te zien is in de onderwijspraktijk. De school doet dus wat zij in haar plannen heeft beschreven.

Van visie naar onderwijs

Scholen vertalen de wettelijke opdracht en kerndoelen vanuit hun eigen visie op burgerschap naar concrete leerdoelen. Deze doelen moeten aansluiten bij hun leerlingen en de omgeving waarin zij opgroeien (doelgericht). De leerdoelen en leerstof die daarbij horen zijn logisch opgebouwd, gericht op het stapsgewijs realiseren van de leerdoelen (samenhangend). Het onderwijs dat de school op deze manier heeft gepland, wordt ook in de praktijk gebracht (herkenbaar).

Wat wordt van scholen verwacht?

Van scholen wordt verwacht dat zij:

  • een heldere visie op burgerschap ontwikkelen en duidelijk maken hoe deze samenhangt met het bredere schoolbeleid;
  • concrete leerdoelen formuleren voor hun burgerschapsonderwijs;
  • een burgerschapscurriculum opstellen met concreet uitgewerkte leerdoelen waarin kennis, houding en vaardigheden samenkomen. Daarin wordt beschreven op welke momenten in de schoolloopbaan leerlingen deze competenties ontwikkelen. Het onderwijsaanbod wordt hierop afgestemd;
  • de opbrengsten van het burgerschapsonderwijs volgen en de leerresultaten in kaart brengen, en waar nodig de aanpak verbeteren;
  • verantwoording afleggen over het burgerschapsonderwijs in het schoolplan en de schoolgids.

Schoolplan en de schoolgids

De burgerschapsopdracht moet terugkomen in het schoolplan en de schoolgids. Deze documenten hebben ieder een andere functie.

Burgerschap in het schoolplan

In het schoolplan beschrijft iedere school haar onderwijskundig beleid. Dit bestaat uit de uitwerking van de wettelijke voorschriften over de uitgangspunten, doelstellingen en inhoud van het onderwijs. De burgerschapsopdracht vormt daarbij een belangrijk onderdeel.

In het schoolplan staat bijvoorbeeld:

  • hoe de school de burgerschapsopdracht uitwerkt binnen het onderwijskundig beleid
  • hoe de school zorgt voor een cultuur en oefenplaats waarin de basiswaarden centraal staan;
  • hoe het burgerschapsonderwijs doelgericht en samenhangend wordt aangeboden;
  • hoe de school  de ontwikkeling en resultaten van leerlingen volgt;
  • hoe de school de uitkomsten van deze monitoring gebruikt om het onderwijs te verbeteren;
  • hoe leraren worden ondersteund en voldoende mogelijkheden krijgen om het burgerschapsonderwijs uit te voeren.Door de ontwikkeling van leerlingen regelmatig te volgen, kan de school het onderwijs aanpassen aan wat leerlingen nodig hebben.

Burgerschap in de schoolgids

In de schoolgids worden de doelen van het onderwijs beschreven, waaronder de doelen voor burgerschap. De schoolgids bevat daarnaast informatie over de beoogde resultaten, de uitkomsten van de monitoring, en eventuele maatregelen om het burgerschapsonderwijs te verbeteren.

De wetgeving uitgelegd in video’s

Om scholen te ondersteunen bij het invoeren van burgerschapsonderwijs zijn in samenwerking met de VO-raad en de PO-Raad zes video’s ontwikkeld. In deze video’s wordt de wetgeving rond burgerschapsonderwijs toegelicht en in beeld gebracht.

1. In deze video vertellen we je hoe je een doelgericht en samenhangend aanbod van burgerschapsonderwijs maakt.

2. In deze video gaan we in op de basiswaarden en maatschappelijke competenties.

3. In deze video vertellen we hoe het schoolklimaat burgerschap kan bevorderen.

4. In deze video vertellen we je hoe je kunt werken met de ijkpunten voor goed burgerschapsonderwijs.

5. In deze video vertellen we je hoe je kunt vaststellen wat er op jouw school al gebeurt en wat er nog nodig is voor de invoering van goed burgerschapsonderwijs.

6. In deze video vertellen we hoe je de resultaten van burgerschap in kaart kunt brengen.

Toezicht

De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op het feit of scholen zich aan de wet houden, zo ook de wettelijke burgerschapsopdracht. De wettelijke opdracht bevat minimumeisen waaraan iedere school moet voldoen. Verder kan het burgerschapsonderwijs ingevuld worden op een manier die past bij de missie van de school of instelling. Scholen en instellingen kunnen daardoor rekening houden met wat leerlingen of studenten nodig hebben en met wensen van ouders en de omgeving. En ze kunnen in hun burgerschapsonderwijs aansluiten bij hun levensbeschouwelijke visie en ideeën over onderwijs en leren.

De opdracht tot bevordering van burgerschap is een deugdelijkheidseis. Daarbij is sprake van een inspanningsverplichting; besturen worden gevraagd om alles te doen wat nodig is om de opdracht tot bevordering van burgerschap te realiseren, zodat dat het onderwijs op de school aan de wettelijke eisen voldoet. De wettelijke bepalingen moeten dus op school in de praktijk worden gebracht en zichtbaar zijn.

Waar kijkt de Inspectie naar?

De Inspectie kijkt vanuit drie invalshoeken naar burgerschapsonderwijs:

  1. Inhoud: krijgen de basiswaarden en sociale en maatschappelijke competenties voldoende aandacht?
  2. Onderwijskundige aanpak: is het onderwijs doelgericht, samenhangend en herkenbaar en heeft de school inzicht in de resultaten?
  3. Schoolcultuur: biedt de school een veilige omgeving die past bij de basiswaarden en kunnen leerlingen er actief oefenen met burgerschap?

Lees hier over de drie invalshoeken van burgerschapsonderwijs voor po, vo en so

Vanuit deze invalshoeken ziet de Inspectie toe op het volgende:

  • Bevordert het onderwijs de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en heeft zij aandacht voor de ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties van leerlingen die hen in staat stellen deel uit te maken van en bij te dragen aan de pluriforme, democratische Nederlandse samenleving?
  • Is het burgerschapsonderwijs doelgericht, samenhangend en herkenbaar vormgegeven? Wordt het burgerschapsonderwijs vormgegeven op grond van concrete leerdoelen waaruit blijkt welke sociale en maatschappelijke competenties de school nastreeft? Zijn deze leerdoelen logisch geordend, bijvoorbeeld van eenvoudig naar complex? Een voert een school ook daadwerkelijk uit wat zij op papier heeft staan? Heeft de school inzicht in de resultaten van het burgerschapsonderwijs en de ontwikkeling van de gewenste sociale en maatschappelijke competenties? Kan zij aangeven in hoeverre de gestelde leerdoelen worden bereikt? Brengt zij deze leerresultaten en ontwikkelingen op betrouwbare en inzichtelijke wijze in beeld?
  • Draagt de school zorg voor een schoolcultuur waarin alle medewerkers de vrijheid van meningsuiting, de autonomie van leerlingen, het gelijkheidsbeginsel en het afwijzen van discriminatie, verdraagzaamheid en het afwijzen van onverdraagzaamheid, onderling begrip en verantwoordelijkheidsbesef bij leerlingen als centrale spelregels hanteren en voorleven? Signaleert en corrigeert de school uitingen van leerlingen die in strijd zijn met deze centrale spelregels, zoals discriminerende uitlatingen of onverdraagzaam gedrag?
  • Creëert de school een veilige omgeving waarin alle leerlingen de kans krijgen actief te oefenen om de gewenste sociale en maatschappelijke competenties zich eigen te maken?

Inspectiestandaarden

De Inspectie van het Onderwijs gebruikt kwaliteitsstandaarden om de kwaliteit van scholen te beoordelen. Een aantal van deze standaarden heeft direct te maken met burgerschap. Deze kwaliteitsstandaarden zijn per 1 augustus 2023 herzien. Sindsdien wordt er van scholen verwacht dat zij invulling geven aan hun burgerschapsonderwijs en de schoolcultuur. Dat betekent dat de Inspectie toeziet op alle eisen uit de wet, en waar dat nodig is een herstelopdracht zal geven. Als er niet aan de gegeven herstelopdracht wordt voldaan zal er zo nodig ook handhavend worden opgetreden. De relevante standaarden op schoolniveau zijn opgenomen in het onderstaande overzicht.

Voor burgerschap zijn de volgende eisen en standaarden relevant:

  1. De school bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze  (standaarden OP0, OP2, OR2).
  2. De school bevordert kennis van en het respect voor basiswaarden van de democratische rechtsstaat  (standaarden OP0, VS1, VS2).
  3. De school ontwikkelt de sociale en maatschappelijke competenties van leerlingen (standaarden OP0, VS2);
  4. De schoolcultuur past bij de basiswaarden.Leerlingen worden gestimuleerd daarmee te oefenen en de school draagt zorg voor een veilige omgeving waarin leerlingen en personeel zich geaccepteerd voelen (standaarden OP3, VS1, VS2).

Vind hier de Onderzoekskaders van de Inspectie van het Onderwijs. 

Inspiratie

Curriculum: kerndoelen

Huidig geldende kerndoelen

Kerndoelen die direct of indirect over burgerschap gaan zijn in het basisonderwijs voor het grootste deel ondergebracht onder het leergebied ‘Oriëntatie op jezelf en de wereld’ (OJW). In dit leergebied oriënteren leerlingen zich op zichzelf, op hoe mensen met elkaar omgaan, hoe ze problemen oplossen en hoe ze zin en betekenis geven aan hun bestaan. Een volledig overzicht van de kerndoelen voor het primair onderwijs vind je hier.

De huidige kerndoelen die direct over burgerschap gaan, zijn:

  • Kerndoel 36: de leerlingen leren hoofdzaken van de Nederlandse en Europese staatsinrichting en de rol van de burger;
  • Kerndoel 37: De leerlingen leren zich te gedragen vanuit respect voor algemeen aanvaarde waarden en normen;
  • Kerndoel 38: De leerlingen leren hoofdzaken over geestelijke stromingen die in de Nederlandse multiculturele samenleving een belangrijke rol spelen, en ze leren respectvol om te gaan met seksualiteit en met diversiteit binnen de samenleving, waaronder seksuele diversiteit.

Andere kerndoelen die in verband kunnen worden gebracht met burgerschap zijn kerndoelen 34, 35, 39,47 en 53. Buiten het leergebied zijn er ook kerndoelen Nederlandse Taal die relevant zijn, waar aandacht is voor discussie, informeren en mediawijsheid. Dit zijn kerndoelen 3, 6, 7 en 8. Daarnaast kent het leergebied Kunstzinnige Oriëntatie ook een kerndoel dat in relatie kan worden gebracht met burgerschap, namelijk kerndoel 56.

SLO maakte voor het leergebied ‘Oriëntatie op jezelf en de wereld‘ inhoud- en aanbodsdoelen. Dit kader kan door schoolteams gebruikt worden bij de ontwikkeling van de eigen leerlijn voor burgerschap.

Actualisatie kerndoelen (curriculumherziening)

Sinds september 2025 zijn er definitieve kerndoelen voor burgerschap beschikbaar. Dit is een herziening van de conceptkerndoelen voor burgerschap van maart 2024. Ze zijn nog niet wettelijk vastgelegd; dit gebeurt naar verwachting op 1 augustus 2027. Lees hier meer over het proces en de huidige stand van zaken van de curriculumherziening. Zoek je een visueel overzicht van huidige verplichtingen en toekomstige veranderingen? Bekijk dan deze infographic.

Op deze website zijn de (toekomstige) kerndoelen voor burgerschap verwerkt onder thema’s. SLO werkt momenteel aan leerlijnen, voorbeelden en andere materialen voor het nieuwe leergebied burgerschap.

Blijf op de hoogte!

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
Meld je aan!

 

Blijf op de hoogte!

Schrijf je net als 7200 andere
onderwijsprofessionals in voor
onze nieuwsbrief

"*" geeft vereiste velden aan

Selecteer één of meerdere sectoren*