Het Nederlandse onderzoek ‘Burgerschap in beeld’ maakte deel uit van de International Civic and Citizenship Education Study 2022 (ICCS), een grootschalig internationaal vergelijkend onderzoek naar burgerschapscompetenties van jongeren.
In Nederland namen 2.609 leerlingen deel van 124 scholen voor voortgezet onderwijs. Op elke school is één tweede klas willekeurig geselecteerd voor deelname. Op de 124 deelnemende scholen hebben 1062 leraren en 87 locatie- of afdelingsleiders aan het onderzoek meegedaan. De Nederlandse resultaten zijn door de onderzoekers vergeleken met Denemarken, Noorwegen, Zweden en de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen. Dit zijn landen die in veel opzichten op Nederland lijken.
Aan het internationale onderzoek namen ongeveer 82.000 tweedejaarsleerlingen (veertienjarigen) van 3.400 scholen deel, samen met ongeveer 40.000 leraren binnen dezelfde scholen. Het internationale onderzoeksrapport laat substantiële verschillen in burgerschapskennis zien, zowel binnen als tussen de deelnemende landen. ICCS 2022 vormde de derde ronde van dit internationale onderzoek; in 2009 en 2016 waren de twee voorgaande rondes. ICCS 2027 is in volle voorbereiding.
Uit de resultaten van het Nederlandse deel van de International Civic and Citizenship Education Study blijkt dat Nederland achterblijft bij vergelijkbare landen in zowel de aandacht voor burgerschapsonderwijs als in de burgerschapskennis van leerlingen. Hoewel het kennisniveau rond het internationale gemiddelde ligt, scoren Nederlandse leerlingen lager dan leerlingen in de vergelijkingslanden. Sinds 2016 is bovendien geen verbetering zichtbaar; de burgerschapskennis is zelfs licht gedaald – een ontwikkeling die ook internationaal wordt waargenomen.
De verschillen binnen Nederland zijn groot. Burgerschapskennis varieert sterk naar migratieachtergrond, opleidingsniveau van ouders en schooltype (vmbo, havo, vwo). Ook tussen scholen bestaan aanzienlijke verschillen. In het gedifferentieerde Nederlandse onderwijssysteem doet het er relatief veel toe op welke school een leerling zit.
Tegelijkertijd bestaat onder Nederlandse jongeren brede steun voor democratie als bestuursvorm. Toch scoren zij lager dan leeftijdsgenoten in vergelijkbare landen op steun voor gelijkheid, vertrouwen in eigen burgerschapsvaardigheden en verwachtingen van toekomstige politieke participatie. Met name de verwachting om later actief politiek deel te nemen is zowel lager dan in vergelijkingslanden als lager dan in 2016.
Daarnaast geven leerlingen minder vaak dan in andere landen aan dat zij op school leren over burgerschapsonderwerpen, en ervaren zij minder vaak een open klasklimaat voor discussie. Leraren voelen zich over het algemeen goed voorbereid, maar minder dan hun collega’s in andere landen, vooral bij thema’s rond democratie, rechtsstaat, politiek en diversiteit.
De resultaten stemmen niet zo positief. De burgerschapscompetenties van Nederlandse jongeren blijven achter bij leeftijdsgenoten van vergelijkbare landen, en in het onderwijs is relatief weinig aandacht voor politieke en maatschappelijke onderwerpen, en extra-curriculaire activiteiten. Ook de leerlingen zelf geven aan relatief weinig over burgerschap op school te hebben geleerd. Toch is er enige terughoudend geboden bij het geven van verklaringen voor deze verschillen. De comparatieve opzet van het onderzoek en beschrijvende karakter maakt het ingewikkeld vergaande conclusies aan de resultaten te verbinden. Wel maakt de vergelijking tussen landen als trends in de tijd dit onderzoek uniek.
De onderzoekers geven een aantal richtingen mee waarin het burgerschapsonderwijs versterkt kunnen worden. Onderwijsverbetering vergt niet alleen een lange adem, maar vooral ook goed toegeruste leraren, schoolleiders en schoolorganisatie. Een verbetering van de kwaliteit van burgerschapsonderwijs vraagt ook om beter lesmateriaal, structurele ondersteuning en een adequaat professionaliseringsaanbod, en periodieke monitoring om de resultaten systematisch te volgen en inzicht te krijgen in de burgerschapscompetenties van leerlingen. Het onderzoek kan geen antwoord geven op de vraag of de verduidelijking van de burgerschapsopdracht (2021) een kwaliteitsverbetering van het burgerschapsonderwijs teweeg heeft gebracht; de periode vanaf de inwerkingtreding is ook te kort geweest om in dit onderzoek zichtbare effecten te kunnen constateren.
Remmert Daas is universitair docent aan de Universiteit van Amsterdam, Geert ten Dam is faculteitshoogleraar Burgerschapsvorming bij de Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen, Anne Bert Dijkstra is bijzonder hoogleraar Toezicht & Socialisatie, scholen en onderwijsbestel aan de Universiteit van Amsterdam. Esther Karkdijk is postdoctoraal onderzoeker binnen de academische werkplaats GEZIeN aan het Amsterdam UMC. Harm Naayer is verbonden aan GION onderwijs/onderzoek aan de Faculteit Gedrags- & Maatschappijwetenschappen van de Rijksuniversiteit Groningen. Hessel Nieuwelink is als lector Burgerschapsonderwijs verbonden aan de Hogeschool van Amsterdam. Ineke van der Veen is als onderzoeker verbonden aan het Kohnstamm Instituut van de Universiteit van Amsterdam.